kampenliedje voor 100 jaar KSA Buggenhout

Een man vertelde ons wel duizend maal zijn jeugd,
zijn fratsen en zijn stoten en zijn grillen.
Hij beleefde zeker wetens duizend keer meer vreugd,
op kamp gaan, dat zou hij nog eens willen!

Hij kreeg van zijn ouders veel nieuwigheid cadeau,
bottinnen en een rugzak, het stond aardig.
Zo peddelt hij met moed en kracht op zijne roestvelo,
hij voelde zich zo groot en jongknaap – waardig!

Hij moest hen wel beloven, maar hij meende ’t niet,
van braafjes in ’t gelid te blijven lopen,
want het was gewoon een vlaamse deugeniet,
op kamp, daar kan je niet mislopen.

In een bos gaan brèkken, nooit iets aan de hand,
de leiders koejoneren, ’t was zijn leven;
maar viel er veel te werken, vond hij dat niet plezant,
een tent rechtzetten, ’t was hem niet gegeven.

Wanneer het dan donker is, dan trekken z’er op uit,
de pillamp in de aanslag en maar loeren:
achter elke boom schuilt gevaar of zit een guit
die onze rakker al te graag wil vloeren.

Op trektocht in de walen, was hij de koene held,
het was de ware schrik van de ardennen.
Het wildbestand is door zijn moosen drastisch uitgeteld:
ge ziet geen beest meer tussen spar en dennen.

Zo gingen de dagen, in lach of wat verdriet,
hij grapte maar moest ook de bonen vreten.
Maar ’s avonds in de groep, zongen ze een lied,
want liedjes doen verdrietjes snel vergeten!

Als dan de bezoekdag komt, staat alle hens paraat.
Het kamp moet piekfijn stralen, bijna blinken.
De leiders weten dan niet meer waar hunne kop nog staat,
of is dat meer van ’s avonds veel te klinken?

Hij schikte zijn matrasje, kuiste hard maar blij,
vader, moeder, moesten het goed weten:
hoe fijn hij ’t had, hij floot er nog vlug een liedje bij,
maar haastig was hij toch een hoek vergeten.

Het jongetje deed dan ook zijn uiterste best,
zijn ouders zouden lachend komen kijken,
waar hun zoon dan honkte in een mierennest.
Ze speurden om zijn werk te vergelijken.

De tenten stonden open, voor iedereen in ’t licht,
geen vuiltje in het gras is te bespeuren.
Alleen de leiderstenten bleven wijslijk dicht,
onmogelijk hier ook maar iets te keuren.

Eens die dag voorbij, dan kwam wat droefenis,
Hij bleef alleen, en ging wat zitten treuren.
Maar eens in sport en spel, daaraan was geen gemis,
deden hem op een twee drie opfleuren.

Als ’t regende was de tent een veilig en warm ding,
een vinger op het tentzeil, ’t werd een wonder.
Haasten dus dat je de regenstroom opving,
je buurman gaf je anders op je donder!

Een luchtmatras had voor hem geen geheimen meer,
zijn makkers konden meestal niet uitrusten,
’s nachts was hij een schaduw, streek over hen neer,
om alle lucht uit hun matras te prutsen…

De werkbij van het kamp, noemden zij ‘foerier’,
diens fiets was heelder dagen volgeladen.
Meestal was ’t met eten, maar ook wel eens met bier,
de koks die deden meer dan bakken, braden…

Aan vreten geen gebrek, ze schrokten telkens ferm,
een boterham met choco kon toch smaken,
zelfs als ze gingen lopen voor een bijenzwerm,
het voedsel zou toch altijd opgeraken!

Ballekes en frieten, dan was het karnaval!
Ze konden ’t thuis zo lekker toch niet maken.
Wee de snoodaard die van hem het kleinste frietje stal,
die zou niet heelhuids in zijn tent geraken!

Hij leerde palen sjorren, verloor wel eens de weg,
hij stuikte in een beek en moest staan drogen,
kwetste zich altijd aan tak of aan een heg,
het waren grootse dagen, niet gelogen.

Het kampvuur was de knaller, het einde kwam in zicht,
de warme gloed deed hem bijna braden.
Arm in arm, en zingen maar in ’t knetterende licht,
de zon zien zakken, met je kameraden…

Thuis wachtten de ouders op hun brave guit,
die kwam er voor, ei zo na een neger;
zijn rugzak volgestampt, één grote modderkluit,
de moeders hadden was voor een heel leger!

Dat jongetje dat groeide en werd een ouder man,
weg zijn z’n bottinnen, waar zijn vrienden?
Waar is nu het kampvuur waaraan hij zitten kan,
enkel in memories kan hij ’t vinden.

Vrienden, viert met ons dit eeuwenlange feest,
van spel en vreugd, lach jezelf terug krampen…
Denk hieraan als je je levensboek herleest,
want ’t leukste aan je jeugd waren de kampen!


Melodie: Walter, ballade van een goudvis, Jan De Wilde

Reacties

Een reactie plaatsen

Populaire berichten van deze blog

Hans

Zonder denken

het trotse hoge woord